Archief | Tips en advies

1 dodelijk ongeval op 3 op autosnelwegen gebeurt in de buurt van op– en afritten.

Bij de dodelijke ongevallen op een autosnelweg droeg meer dan een derde van de bestuurders en meer dan de helft van de passagiers die achteraan zaten hun gordel niet. Te hoge snelheid speelde een rol in 4 op de 10 dodelijke ongevallen. Op– en afritten zijn bovendien de meest risicovolle plaatsen: 1 dodelijk ongeval op 3 gebeurt daar of in de buurt ervan. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit een nieuwe studie van Vias institute die alle dodelijke ongevallen in België onderzocht.

In België wordt meer dan een derde (38%) van alle afgelegde voertuigkilometers op de autosnelwegen gereden. Het ongevalsrisico is er kleiner dan op andere delen van het wegennet, maar de ernst van de ongevallen is er wel hoger. We stellen 31 doden per 1000 letselongevallen vast, dat is 4 keer meer dan in een bebouwde kom (8 doden per 1000 letselongevallen). In het kader van deze studie heeft Vias institute op basis van PV’s van de federale politie 158 dodelijke ongevallen in de periode 2014-2015 op de autosnelwegen onderzocht, waarbij 529 personen betrokken waren.

Infrastructuur : vooral de opritten en afritten zijn dodelijk

Een dodelijk ongeval op 10 (10%) gebeurde op de op– of afrit en 1 ongeval op 5 (20%) in de buurt ervan. In totaal gebeuren dus bijna 30% van de dodelijke ongevallen op of nabij een oprit of afrit. Het risico op een ongeval is er dus hoger. 5% van de ongevallen gebeurden ter hoogte van een verkeerswisselaar. Bij één dodelijk ongeval op 8 (13%), waren er werken aan de gang op het moment dat het ongeval zich voordeed. Dit cijfer stijgt de laatste jaren en ligt 3x hoger dan in 2009 (4%).

Ongevalsfactoren : nog steeds wordt de gordel te weinig gedragen

Ongeveer een derde van de bestuurders en passagiers die betrokken waren in een dodelijk ongeval droegen hun gordel niet: 35% van de bestuurders, 21% van de passagiers voorin en…52% van de passagiers achteraan. 60% van de dodelijke slachtoffers in een ongeval op een autosnelweg droegen hun gordel niet. Snelheid speelt een rol in tenminste 38% van de dodelijke ongevallen. Het is ook opvallend dat 1 op 5 (19%) stilstond op het moment van het ongeval. Alcohol speelde een rol in meer dan 1 ongeval op 10 (11%), maar in 40% van de gevallen werd geen enkele betrokken bestuurder op alcohol getest.

Weersomstandigheden: regen is gevaarlijk

Bij 1 ongeval op 8 (12%) regende het toen het ongeval gebeurde. Gemiddeld regent het 6% van de tijd in België. Het risico op een dodelijk ongeval op een autosnelweg is dus hoger in geval van regen .Ongeveer een derde van de ongevallen (28%) gebeurden in duisternis, waarbij de openbare verlichting werkte. In 1 ongeval op 6 (17%) deed het ongeval zich voor in duisternis, zonder openbare verlichting. Het percentage dodelijke ongevallen in totale duisternis is 2x hoger op autosnelwegen dan op andere wegtypes.

Kenmerken van de weggebruikers: 1 op 20 was een voetganger

1 weggebruiker op 20 (5%) die om het leven komt in een ongeval op een autosnelweg was een voetganger. Als er zich een ongeval voordeed met een kwetsbare weggebruiker is het risico dat die overleed heel groot: 83% van de betrokken voetgangers zijn overleden. In de wagens is de mortaliteitsgraad 49%. 

Profiel van ongevallen

Dit zijn de 5 meest voorkomende ongevalsprofielen:

  • de bestuurder verliest de controle over het voertuig. (29%). De helft van de betrokken bestuurders overleeft dit type ongeval niet. Vaak spelen snelheid en/of alcohol een rol in dit type ongeval.
  • een voertuig rijdt in op de staart van een file (16%). Vrachtwagens zijn vaker betrokken bij dit type ongevalsprofiel.
  • de bestuurder wijkt af van zijn rijstrook (12%) en botst met een obstakel of met een andere weggebruiker. Deze ongevallen komen vaker voor in het duister.
  • de bestuurder maakt een fout bij het inhalen (8%). Bij 4 op de 10 ongevallen gaat het over eenzijdige ongevallen.
  • een bestuurder rijdt in op een normaal rijdend voertuig (6%). Deze ongevallen gebeuren het vaakst tijdens het weekend en tijdens totale duisternis.

Autosnelwegen meest dodelijk in Vlaams-Brabant

Over de periode 2009-2015, vielen er gemiddeld 44 doden per 100 kilometer autosnelweg. De autosnelwegen in Vlaams-Brabant (53 doden per 100 km) en Henegouwen (52 doden per 100km) waren het meest dodelijk. De autosnelwegen in Limburg waren het veiligst (30 doden per 100 km).

Conclusie

Sensibiliseringsacties en controles zijn onontbeerlijk om tot een effectieve gedragswijziging te komen. Te vaak stellen we vast bij dodelijke ongevallen op autosnelwegen dat mensen hun gordel niet dragen en er sprake is van overdreven snelheid. Voor snelheid blijven trajectcontroles veel efficiënter dan vaste radars. Het is vooral belangrijk om controles uit te voeren in risicozones zoals bij wegenwerken en in zones dicht bij op– en afritten van autosnelwegen.

Op het gebied van infrastructuur, moet men verder inzetten op de gekende principes van vergevingsgezinde wegen. Dit wil zeggen dat de infrastructuur zo ingericht moet zijn dat de menselijke fouten niet tot een fatale afloop leiden, bijvoorbeeld voor een voertuig dat van de weg is afgeraakt. Het gebruik van dynamische verkeersborden moet verder veralgemeend worden. Deze borden leggen een snelheidslimiet op die aangepast is aan de actuele verkeerssituatie. Ze kunnen ook de bestuurders waarschuwen in het geval van file of een ander verkeersprobleem. Het is ook belangrijk dat de snelheidslimieten op elke plaats en elk tijdstip duidelijk zijn voor de weggebruiker, vooral in de zones waar er wegenwerken aan de gang zijn.

bron http://www.vias.be

Lees het volledige bericht

Tips en advies: zonder kleerscheuren veilig de winter door met onze handige tips!

Is de winter ook uw minst favoriete seizoen? Sneeuw en ijzel, aanvriezende mist,… leuk is anders als u de weg op moet. Ongelukjes zijn nu jammer genoeg dagelijkse kost. Met onze zeven tips komt u met een beetje geluk deze donkere periode zonder kleerscheuren door.

1. Investeer in winterbanden

Duikt de temperatuur onder 7°C? Dan reageren uw autobanden anders. Het rubber wordt harder, waardoor de baanvastheid afneemt. In mensentaal: u glijdt zo de weg af als het even ijzelt. Winterbanden zijn anders samengesteld en hebben een diepere groef. Ze vermijden dat u begint te slippen of dat aquaplanning u van de weg slingert. Bovendien kunt u beter remmen in de sneeuw, op ijs en op een nat wegdek. Omdat het bij ons élke winter kouder wordt dan zeven graden, zijn winterbanden een echte must! Nog wat extra tips:

  • Vervang alle banden. Alleen vooraan of alleen achteraan de banden vervangen is niet verstandig. Monteert u alleen op de vooras winterbanden, dan gaat de auto achteraan uit balans en zal daardoor eerder uit zijn as draaien (overstuur). Monteert u alleen winterbanden op de achteras, dan verbetert het optrekken, maar raakt de auto vooraan sneller uit balans en gaat daardoor in bochten eerder rechtdoor.
  • Pomp uw banden perfect op. Zo verbruikt u minder brandstof.

2. Verminder uw snelheid op een gladde weg

Op een glad wegdek is trager rijden veel veiliger. Kies voor uw derde of vierde versnelling en houd zeker genoeg afstand van het voertuig voor u. Zo moet u het minst vaak doen wat op gladde wegen het gevaarlijkst is: remmen. Moet u toch het rempedaal induwen? Doe het dan zachtjes en gebruik maximaal uw motor om af te remmen. Slipt uw wagen? Blijf dan van uw rempedaal af. Maak ook geen bruuske stuurbewegingen. Probeer uw voertuig zachtjes onder controle te houden en kijk in de richting die u uit wilt –zeker niet naar de hindernis. Hebben uw voorwielen de neiging om rechtdoor te gaan? Los dan het gaspedaal en corrigeer de richting. Slippen de achterwielen? Dan zet u uw wielen eerst weer recht en geeft u geleidelijk gas terwijl u uitkijkt in de juiste richting. Tenzij u achterwielaandrijving hebt. Dan lost u best het gaspedaal, stuurt u tegen de richting van de bocht in en kijkt u de richting uit waar u heen wilt.

3. Onderhoud uw batterij en bougies

In de winter krijgt uw batterij het extra hard te verduren. Verwarming, lichten, … allemaal inspanningen die uw vermogen doen dalen. Merkte u al enkele haperingen op? Vervang dan zeker uw batterij. De meeste accu’s gaan zo’n vier jaar mee. Hebt u een zelfonderhoudend model, kijk dan het peil van de accuvloeistof na. Rijdt u met een dieselmotor? Controleer dan of uw voorgloeibougies nog in goede staat zijn. Nieuwe bougies zorgen voor een efficiënte voorverwarming en een snelle start.

4. Stel uw lichten juist af

Dubbelcheck even of uw achter- en dimlichten wel goed werken. Geven ze allemaal een krachtig lichtsignaal? Zijn ze proper? Zijn ze correct afgesteld? Bij hevige sneeuwval zet u best uw mistlampen aan. Een doosje met reservelampjes in uw kofferbak biedt extra zekerheid.

5. Ververs tijdig de olie

Het vervangen van motorolie door verse olie is een noodzaak. De olie in uw motor zorgt ervoor dat de effecten van de constante wrijving van metalen onderdelen beperkt blijven. Door de koude wordt de olie in de winter stroperiger en minder doeltreffend. Controleer daarom zeker het oliepeil en vervang de olie regelmatig. In de handel vindt u olie die beter bestand is tegen lage temperaturen.

6. Zorg voor propere autoruiten

Bij grauwe en donkere dagen is het extra belangrijk dat uw ruiten proper zijn. Een winterbestendige ruitensproeier en regelmatige controle van de ruitenwisservloeistof is dan ook geen overbodige luxe. Poets uw voorruit ook aan de binnenkant regelmatig met een ontvettingsmiddel. Zo dampt ze minder snel aan. Zorg er ook voor dat u een ijskrabber in uw wagen hebt, een borsteltje en een paar handschoenen.

7. Laat sterretjes in de ruit meteen herstellen

Laat sterretjes in uw ruit herstellen voor het begint te vriezen. Temperatuurverschillen en het wegkrabben van aangevroren sneeuw doen een barst uitzetten en voor u het weet hebt u een onherstelbare autoruit. U kunt sterretjes tot twee centimeter laten repareren door een glashersteller zoals Carglass of uw garagist.   bron http://www.vivium.be

Lees het volledige bericht

Tips en advies: 30 tips om uw aanrijdingsformulier goed in te vullen

aanrijdingsformulier12 22-09-00Na een auto-ongeval is een goed ingevuld aanrijdingsformulier de eerste stap naar een snelle schaderegeling. Deze 30 tips helpen u om een aanrijdingsformulier correct en volledig in te vullen.

1) Tip vooraf: leg twee tot drie aanrijdingsformulieren in uw auto. Bij een kettingbotsing bijvoorbeeld moet u zowel met de wagen achter u als voor u een aanrijdingsformulier invullen.

2) U kunt het aanrijdingsformulier ook gebruiken om een schadegeval aan te geven waarbij geen andere personen betrokken zijn, bijvoorbeeld bij een botsing tegen een boom, na diefstal of na een brand.

3) Noteer uw gegevens op voorhand op het aanrijdingsformulier, dat bespaart u stress.

4) Leg een balpen in uw auto.

5) Haal er de politie bij als er gewonden zijn, wanneer er discussie is over de omstandigheden van het ongeval, of wanneer de tegenpartij dronken is.

6) Ook met een proces-verbaal van het ongeval, vult u nog een aanrijdingsformulier in. Zonder ingevuld formulier moet de verzekeringsmaatschappij de gegevens opzoeken en loopt de schaderegeling vertraging op.

7) De tegenpartij en u moeten samen maar één formulier invullen. De voorkant wordt door beide partijen ingevuld en is bedoeld voor de objectieve vaststellingen.

8) Veel mensen vergeten de achterkant van het aanrijdingsformulier in te vullen. Daar kunt u extra informatie voor de verzekeraar noteren, bijvoorbeeld of er een proces-verbaal is, het chassisnummer van uw voertuig, … Dit gedeelte kunt u achteraf thuis invullen.

9) Het Europees aanrijdingsformulier ziet er in alle Europese landen hetzelfde uit. Als u bijvoorbeeld een Spaanstalig formulier invult, kunt u de vertaling volgen bij de overeenkomstige vakken op uw eigen formulier.

10) We kunnen u telefonisch nuttige tips geven bij het invullen van het formulier, of kunnen eventueel ter plaatse komen.

11) Schrijf duidelijk. Gebruik een balpen en vermijd doorhalingen. Leg tijdens het schrijven het formulier op een harde ondergrond.

12) Vul het formulier onmiddellijk ter plaatse in. Achteraf gegevens invullen maakt het voor de tegenpartij gemakkelijker om uw verklaringen te betwisten. Bovendien kunnen de getuigen dan al vertrokken zijn en de voertuigen aan de kant gesleept.

13) Vul het aanrijdingsformulier volledig in. Ontbrekende gegevens veroorzaken onduidelijkheden, onjuistheden en betwistingen.

14) Vul het aanrijdingsformulier nauwkeurig en correct in. Een verkeerd ingevuld schadeformulier kan de niet-aansprakelijke bestuurder zijn rechten kosten.

15) Neem enkele foto’s ter plaatse. Die kunnen veel duidelijk maken voor de dossierbeheerders.

16) Vul de naam van de getuigen volledig in, en vermeld ook hun adres en gsm-nummer. Zo niet kan de tegenpartij die getuigen betwisten. Passagiers van de wagens die betrokken zijn bij het ongeval, worden niet aanvaard als getuigen. Getuigen die slechts op één formulier voorkomen, worden door de verzekeringsmaatschappijen en de rechtbank niet weerhouden.

17) In vak 10 duidt u de plaats van de impact aan. Bij een latere discussie kan dit uw versie kracht bij zetten. De schade kan onzichtbaar zijn (bijvoorbeeld kunststof dat na een impact terug uitblust), maar achterliggend wel aanwezig zijn. Als de expert de plaats van impact kent, weet hij bovendien waar hij extra moet op letten. Of nog: als u kort na elkaar twee ongevallen hebt, is het belangrijk dat de expert de juiste schade onderzoekt.

18) Bij vak 11 vult u in of uw wagen schade heeft opgelopen. Als u twijfelt, vult u niets in. Experts kunnen achteraf de schade vaststellen.

19) Vermeld bij vak 12 zeker het totaal aantal aangekruiste vakjes.

20) Maak eerst een proefschets voor u de officiële situatieschets in vak 13 tekent.

21) Schets de breedte van de weg en de grootte van de auto’s in de juiste verhoudingen. De ruitjes op het blad helpen u daarbij. Respecteer de plaats van het voertuig ten opzichte van de straat. Duid de getuigen aan met een kruisje.

22) Vermeld ook eventuele borden en verkeerslichten op de schets, de precieze plaats van de aanrijding, de straatnamen en de rijrichting. Duid de middenas van de weg aan met een stippellijn. Doe dat enkel als er een middellijn gemarkeerd is op de weg. Anders kan een stippellijn tot foute conclusies leiden.

23) Kijk uit met pijltjes op de situatieschets: een pijltje betekent dat uw voertuig in beweging was, geen pijltje betekent dat uw voertuig stilstond.

24) In vak 14, ‘Opmerkingen’, kunt u noteren wat u elders op het formulier niet kwijt kan. U kunt ook verklaren waarom u niet akkoord gaat met de verklaringen van de tegenpartij, als dat het geval is. Als u geen opmerkingen hebt, wordt verondersteld dat u akkoord gaat met de tegenpartij.

25) Als u en de tegenpartij er niet uit raken, vult u elk apart een aanrijdingsformulier in. De verzekeringsmaatschappijen zullen proberen alsnog tot een minnelijke schikking te komen, maar de schaderegeling zal wel vertraging oplopen. Verzamel wel alle gegevens van de tegenpartij: merk, model en nummerplaat van de auto, en zeker de verzekeringsgegevens.

26) Let goed op de gegevens van de tegenpartij voor u het formulier ondertekent. Klopt de geldigheidsduur van zijn groene kaart of verzekeringsbewijs (vak 8)? Controleer zeker vakken 12, 13 en 15 want die zijn gemeenschappelijk.

27) Onderteken pas als de tegenpartij het formulier volledig heeft ingevuld en zorg ervoor dat er achteraf niets meer bijgeschreven wordt.

28) Onderteken het aanrijdingsformulier alleen als u volledig akkoord gaat. U kunt gerust weigeren om te tekenen, zelfs als een politieagent het formulier heeft ingevuld.

29) Als het formulier volledig ingevuld is en ondertekend door beide partijen dan bewaart elke partij een exemplaar: ofwel het originele ofwel het doorgedrukte exemplaar.

30) Bezorg het aanrijdingsformulier zo snel mogelijk aan uw makelaar. Het moet binnen de acht dagen bij uw verzekeringsmaatschappij aankomen.

Bron: http://www.vivium.be

 

Lees het volledige bericht

Tips en advies: de rechten en plichten van een huurder

Als huurder hebt u zowel rechten als plichten. Lees hier welke regels u beschermen als huurder van een woning, en aan welke regels u zelf moet voldoen.

Als u een woning huurt als hoofdverblijfplaats, valt de huurovereenkomst onder de Woninghuurwet. De bepalingen van deze wet zijn van dwingend recht. Dat wil zeggen dat het huurcontract deze bepalingen moet volgen.

Huurprijs, EPC en onderhoudsattesten

Nog voor u het huurcontract ondertekent, hebt u als huurder recht op informatie. Wie een woning te huur aanbiedt, moet immers:

  • de huurprijs en de gemeenschappelijke lasten vermelden,
  • een energieprestatiecertificaat (EPC) voorleggen,
  • de onderhoudsattesten van de centrale verwarming, boiler, schoorsteen … voorleggen.

Als het contract vraagt dat u als huurder bepaalde attesten periodiek moet voorleggen, kan u bij aanvang van het contract de laatste attesten opvragen.

Schriftelijke overeenkomst

Elke huurovereenkomst moet schriftelijk afgesloten worden. De overeenkomst vermeldt alle gegevens van verhuurder en huurder, en beschrijft kort het gehuurde goed. Niet alleen de gehuurde ruimtes, maar ook de tuin, het tuinhuis, de garage en de berging. Ook moeten er wettelijke bijlagen bij het contract. Modelcontracten vindt u op www.huurdersbond.be.

In goede staat bij start huurcontract

De huurder heeft bij de start van het huurcontract recht op een goed onderhouden woning. Dat betekent dat de verhuurder de nodige herstellingen en onderhoudswerken doet vooraleer de huurder in de woning trekt. Alleen veilige, gezonde en bewoonbare mogen verhuurd worden.

Recht op plaatsbeschrijving

De verplichte plaatsbeschrijving gebeurt wanneer de woning niet bewoond is, of tijdens de eerste maand van bewoning. De plaatsbeschrijving wordt op tegenspraak opgemaakt en is omstandig en gedetailleerd. De huurder en de verhuurder kunnen dit samen doen, of een onafhankelijke expert aanstellen. Beide partijen betalen dan elk de helft van zijn vergoeding.

Op het einde van de huur wordt de toestand van de woning vergeleken met deze beschreven in de plaatsbeschrijving. Voor beide partijen is het belangrijk om alle beschadigingen in detail op te nemen in de plaatsbeschrijving. De huurder moet de woning op het einde van het contract immers in dezelfde staat teruggeven.

Als u bij de plaatsbeschrijving gebreken vaststelt, dan meldt u deze best aangetekend aan de verhuurder. U vraagt ook dat de gebreken binnen een redelijke termijn hersteld worden.

Huurder betaalt huurwaarborg

Een huurwaarborg is niet wettelijk verplicht, maar is vaak opgenomen in een huurcontract. De wet voorziet twee mogelijkheden:

  • Maximaal twee maanden huur, op een geblokkeerde rekening, op naam van de huurder.
  • Maximaal drie maanden huur, gewaarborgd door de bank, al dan niet door een standaardcontract tussen een OCMW en een financiële instelling. De huurder betaalt maandelijks de waarborg af aan de bank, gedurende de huurperiode, maar tijdens een maximale termijn van drie jaar.

Maandelijkse huur

Uiteraard dient de huurder maandelijks stipt de huur te betalen. In het huurcontract komt u met de huurder overeen wanneer u de huur uiterlijk betaalt. Over de datum kunt u onderhandelen met de verhuurder zodat hij beter past bij uw persoonlijke situatie.

Voldoende meubelen en huisraad

De huurder is verplicht om voldoende meubelen en huisraad in de woning te plaatsen. Zo heeft de eigenaar iets om beslag op te leggen als de huurder de huur niet betaalt.

Meldingsplicht gebreken

Als u bepaalde gebreken vaststelt, meldt u deze zo spoedig mogelijk en bij voorkeur schriftelijk aan uw verhuurder. Wat de verhuurder niet weet kan hij immers niet verhelpen.

Werken toelaten

Als huurder bent u verplicht om dringende werken toe te laten. Dat zijn werken om problemen te herstellen die anders nog meer schade veroorzaken. Voor niet-dringende werken moet de verhuurder uw toestemming vragen. Denk bijvoorbeeld aan het vervangen van de badkamer terwijl u daar niet om gevraagd hebt. Dit is immers een inbreuk op het rustig huurgenot van de huurder.

Herstel van verborgen gebreken

Als er verborgen gebreken opduiken tijdens het huurcontract, moet de verhuurder deze oplossen. Een verborgen gebrek is bijvoorbeeld dat de zekering elke keer afspringt wanneer u de wasmachine aanzet.

Huurder houdt woning in goede staat

Als huurder bent u verplicht om de woning in goede staat te onderhouden. U moet dus zelf schoonmaken, verwarmen, verluchten en kleine onderhoudswerken doen. Bijvoorbeeld een lekkende kraan herstellen of een lamp vervangen. De verwarmingstoestellen laat u jaarlijks (mazout) of tweejaarlijks (aardgas) door een erkend technieker onderhouden. Een lijst van erkende techniekers vindt u op www.vea.be.

Samenwonen melden aan de eigenaar

Als u alleen woont, en u huwt of gaat wettelijk samenwonen, dan laat u dit best schriftelijk weten aan de verhuurder. Uw verhuurder kan u niet verbieden om samen te wonen of te huwen. Hij kan hiervoor evenmin een verhoging van de huurprijs opleggen. Onderverhuren mag niet zonder toestemming van de verhuurder. Onderverhuren is vaak in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften.

Schade aan de huurwoning

Bij schade aan de huurwoning wordt vermoed dat de huurder aansprakelijk is. Dit is de zogenaamde huurdersaansprakelijkheid. Als huurder bent u ook verantwoordelijk voor schade aan de woning die veroorzaakt is door uw kinderen, de poetshulp, uw bezoekers …

Wanneer u kunt bewijzen dat u geen fout hebt gemaakt, bent u niet aansprakelijk. Dat kan bijvoorbeeld bij:

  • een geval van overmacht (bijvoorbeeld een blikseminslag),
  • een fout van een derde (bijvoorbeeld inbraak door derden),
  • slechte toestand van een woning (bijvoorbeeld een kortsluiting),
  • schade enkel ten gevolge van sleet, ouderdom of overmacht.

U kunt u voor deze huurdersaansprakelijkheid verzekeren met een brandverzekering. Een brandverzekering is niet wettelijk verplicht, maar ze kan wel een voorwaarde zijn in een huurcontract. Bijna 90% van de huurders heeft een woningverzekering afgesloten.

Enkel plotse en onvoorziene schade

Een brandverzekering vergoedt enkel plotse en onvoorziene schade in een reeks welomschreven situaties, zoals waterschade door een overgelopen bad of douche, uw kind dat bij het spelen een ruit breekt of de schade door een in brand gevlogen frietketel. Bij discussie met de verhuurder over uw aansprakelijkheid, kunt u rekenen op advies van uw makelaar.

Schade door sleet valt dus niet onder de brandverzekering. Evenmin als verfspatten op de vloerbekleding, een afgedraaide knop van de oven, loskomende deurstijlen, het afbreken van een marmeren keukenblad …

Schade aan de inboedel

Een brandverzekering vergoedt ook de schade aan de inhoud van uw huurwoning, dus aan uw eigen meubelen, kledij, televisietoestellen. Ook hier moet de oorzaak plots en onvoorzien zijn, bijvoorbeeld door een blikseminslag, een kortsluiting, een lekkende mazoutleiding of een gebarsten afvoerpijp.

Afstand van verhaal

Soms stellen verhuurders een huurovereenkomst voor met ‘afstand van verhaal’. Dat betekent dat de brandverzekering van de verhuurder alle schade aan het gebouw zelf vergoedt. Hij haalt dus geen verhaal bij u als huurder, ook al bent u aansprakelijk. Maar zelfs met ‘afstand van verhaal’, sluit u best nog een eigen brandverzekering af. Dit om uw inboedel te verzekeren, en om uw aansprakelijkheid ten opzichte van derden te verzekeren. Bijvoorbeeld als een brand veroorzaakt door uw persoonlijke spullen, schade aanbrengt bij de buren.

Recht op onveranderde woning

Tijdens de huur mag de verhuurder geen werken laten uitvoeren die het uitzicht en de vorm van de woning veranderen. Zonder uw akkoord mag hij bijvoorbeeld niet de garage afbreken of zonnepanelen plaatsen.

Aanpassing huur

De huurprijs mag jaarlijks geïndexeerd worden, tenzij het huurcontract dat verbiedt. Een herziening van de huurprijs mag elke drie jaar. Zowel de huurder als de verhuurder kunnen een herziening van de huurprijs vragen, maar enkel tussen de negende en de zesde maand voor het einde van elke driejarige periode. Als ze niet tot een akkoord komen, kan de vraag voorgelegd worden aan de vrederechter.

Bestemming van de huurwoning

Soms stelt een huurcontract dat u een woning enkel mag gebruiken om in te wonen. U mag in de loop van het huurcontract bijvoorbeeld geen dokterspraktijk openen in de huurwoning als die enkel voor een hoofdverblijfplaats bestemd is.

Recht op privacy

Zonder uw toestemming mag de verhuurder de huurwoning niet betreden. De verhuurder heeft wel het recht om één keer per jaar de huurwoning te bekijken, om te zien of u goed zorg draagt voor uw woning. Hij mag ook langskomen om dringende werken te doen die niet tot het einde van de huur kunnen worden uitgesteld. Hiervoor moet hij steeds op voorhand een afspraak met u maken. Ten slotte kan hij ook bezoekdagen en –uren met u afspreken als hij de woning wil verkopen of verhuren. Uiteraard kan dit enkel als de huurovereenkomst beëindigd wordt.

Als huurder huurovereenkomst opzeggen

Huurcontracten van korte duur, dus maximaal drie jaar, kunnen enkel worden opgezegd tegen de einddatum. Zowel de huurder als de verhuurder moeten daarbij een opzegtermijn van drie maanden respecteren. Een contract van korte duur kan eenmaal worden verlengd. De totale duur mag echter nooit meer dan drie jaar zijn. Als een kortlopend huurcontract niet opgezegd wordt tegen de einddatum, wordt het automatisch omgezet in een negenjarige huurovereenkomst met als begindatum de aanvang van het oorspronkelijke contract.

Bij een huurcontract van negen jaar of langer kan de huurder op gelijk welk moment, mits een vooropzeg van drie maanden, de huurovereenkomst opzeggen.

De schadevergoeding voor de vervroegde opzeg hangt af van wanneer de opzegtermijn eindigt en of het contract geregistreerd is vóór de opzeg:

  • Tijdens het eerste jaar: drie maanden huur
  • Tijdens het tweede jaar: twee maanden huur
  • Tijdens het drie jaar: een maand huur
  • Vanaf het vierde jaar: geen schadevergoeding
  • Als de verhuurder de huurovereenkomst niet heeft geregistreerd voor u de opzeg betekent: geen schadevergoeding

Als verhuurder huurcontract opzeggen

Bij huurcontracten tot drie jaar is geen vooropzeg mogelijk. Bij langere huurovereenkomsten is een opzeg door de verhuurder mogelijk:

  • Elke drie jaar, mits een vooropzeg van zes maanden en mits betaling van een vergoeding gelijk aan negen maanden (eerste drie jaar) of zes maanden (tegen einde van het zesde jaar).
  • Als de verhuurder zelf of een familielid het pand gaat betrekken mits een opzegtermijn van zes maanden. Het opzegmotief moet binnen een jaar na het verstrijken van de opzeg en gedurende twee jaar worden uitgevoerd.
  • Als de verhuurder grote werken laat uitvoeren, mits een vooropzeg van zes maanden, en slechts elke driejarige periode. De werken dienen aan een aantal voorwaarden te voldoen. Ze moeten binnen zes maanden na het einde van de opzegtermijn beginnen en binnen 24 maanden eindigen.

Wanneer de verhuurder zijn motief niet tijdig uitvoert zonder goede reden, heeft de huurder recht op achttien maanden huur.

Wordt een negenjarige huurovereenkomst niet opgezegd tegen einddatum dan loopt deze aan dezelfde voorwaarden verder.

Vraag advies aan uw makelaar

Meer info over de rechten en de plichten van een huurder vindt u op www.huurdersbond.be.

Bron: http://www.vivium.be

Lees het volledige bericht